Skip to main content

God is niet van belang

tenzij Hij van het allerhoogste belang is.

Abraham Joshua Heschel

Is God echt van het allerhoogste belang

Deze geweldige observatie van Rabbijn Heschel (een van de belangrijkste en meest invloedrijke joodse filosofen van de 20e eeuw) is niet zonder problemen. Is God echt van het allerhoogste belang? Wat bedoelt Rav Heschel als hij beweert dat God niet belangrijk is tenzij Hij van het allerhoogste belang is? Betekent dit dat er niets belangrijker is dan Zijn bestaan?

Of gaat het om Gods positie in deze wereld

Zou Rabbijn Heschel stellen dat God inderdaad van het allerhoogste belang is, maar dat er nog andere zaken zijn die nog belangrijker zijn? Misschien bedoelt hij dat er niets belangrijker is dan Gods positie in deze wereld. Is dit zo gerelateerd aan de vraag dat voor zover het ons gedrag in deze wereld betreft, God van het allerhoogste belang is? Dat wij, door dit uiterst belangrijke feit te ontkennen, op de meest gruwelijke manier verliezen?

De atheïst kan het er mee eens zijn

Zou een atheïst het ook eens kunnen zijn met deze stelling? Met deze constatering doet Rabbijn Heschel immers geen uitspraken over het bestaan ​​van God; hij beweert alleen dat als God zou bestaan, dit bestaan ​​van het allerhoogste belang is. Een atheïst zou het daar zeker mee eens kunnen zijn, want hij ontkent eenvoudig het bestaan ​​van God.

Als je bevestigd dat God bestaat, leef je in Zijn tegenwoordigheid

Het doet ons denken aan de opmerking van de beroemde filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) dat het probleem met de meeste mensen die in God geloven, is dat ze onbewust nog twee woorden aan dit geloof toevoegen: “Nou en?” Wittgenstein maakte bezwaar tegen dit soort reacties, omdat het betekende dat mensen de consequenties van hun bewering niet inzagen als ze zeiden dat ze geloven dat God bestaat. Ze geloven niet dat het van het allerhoogste belang is. Wittgenstein was van mening dat als je eenmaal het bestaan ​​van God hebt bevestigd, dat dit betekent dat je, waar je ook bent, in de tegenwoordigheid van God leeft. Dit beïnvloedt de manier waarop men leeft, zich gedraagt ​​en het leven waarneemt. Een gelovig persoon beweert dat hij in het paleis van de Koning der Koningen woont; als je in dit paleis woont, moet je je gedragen zoals het een koning betaamt, en het is de taak van de religie om ons de richtlijnen te geven hoe we dit moeten doen. In de woorden van Thomas Fuller (1732): “Hij gelooft niet dat hij niet leeft volgens zijn geloof.”

“Nou en?”!

Bijgevolg kan iemand ook niet beweren dat God niet bestaat en zeggen: “Nou en?”! Ook deze bewering heeft immers verstrekkende gevolgen voor hoe iemand zijn leven waarneemt en leeft. Als zodanig is de ontkenning van Gods bestaan ​​inderdaad van het allerhoogste belang.

“God is een cirkel waarvan het middelpunt overal is en de omtrek nergens”

Als Rabbijn Heschel en Wittgenstein inderdaad van deze mening zijn, zullen ze moeten toegeven dat deze zaak van het allerhoogste belang niet kan worden bewezen of weerlegd, aangezien het concept van God iets van zo’n grootsheid is dat het niet valt binnen de parameters van die dingen van waarmee we zekerheid kunnen krijgen; “God is een cirkel waarvan het middelpunt overal is en de omtrek nergens” (Empedocles). Als zodanig kan het woord zekerheid als uitdrukking van logische waarheid niet op Hem worden toegepast.

Geen vergelijk mogelijk

Als we het hebben over het (niet)bestaan ​​van God, is het niet hetzelfde als zeggen “mijn auto bestaat” of “een mens met vier hoofden bestaat niet”.

Absolute zekerheid?

Dit betekent dat God, Die van het allerhoogste belang wordt geacht, in feite Iemand is van wiens bestaan ​​we niet zeker zijn. Absolute zekerheid van het allerhoogste is vaak gevaarlijker dan een leugen.

Rabbijn Nathan Lopes Cardozo